VVD, FvD en de kunst van bestuurlijk verontwaardigd doen alsof je de brand blust terwijl je er zelf benzine bij giet

Een Facebookbericht met politieke bijwerkingen

Eind april gebeurde er iets wat in kleine gemeenten, zoals Oisterwijk vaker voorkomt dan men lief is: iemand zei iets op Facebook. In dit geval ging het over de noodopvang van statushouders in Fletcher Hotel Boschoord en de suggestie dat dit zou kunnen leiden tot “burgerlijke ongehoorzaamheid” en een soort volksopstand tegen de corrupte politiek.

Kortom: zo’n zin waarvan je denkt “dit is óf satire óf iemand heeft zijn koffie verkeerd gedoseerd”.

Een FvD-raadslid reageerde daarop in de trant van: “tja, maar of we Oisterwijk zover krijgen…” Niet bepaald een manifest voor de barricaden, eerder een halve zin die ergens tussen grap en ongemak in hangt te zweven. Maar goed, nuance is in de politiek ongeveer net zo populair als een belastingaanslag op zaterdagmorgen.

VVD ruikt rook en bouwt meteen een brandweercommandopost

De lokale VVD zat er bovenop. Of beter gezegd: zat er bovenop met het hele brandweerkorps, inclusief sirenes, zwaailichten en een persbericht waarin alvast werd uitgelegd hoe ernstig de situatie was.

Op de website klonk het plechtig. Respect en verdraagzaamheid zijn belangrijk, maar dit ging volgens de VVD een grens over. Er moest afstand worden genomen van uitspraken die zouden kunnen bijdragen aan maatschappelijke onrust.

Dat klinkt op het eerste gezicht redelijk. Wie kan er immers tegen respect en verdraagzaamheid zijn? Zelfs de gemiddelde internetruziemaker zet die woorden graag in zijn profielomschrijving.

Maar hier begint het interessante deel.

Want de VVD verpakte haar boodschap als een zorg over maatschappelijke onrust, terwijl tussen de regels door vooral één boodschap zichtbaar werd: een FvD-raadslid moest publiekelijk de maat worden genomen.

Netjes verpakt natuurlijk. Politieke berispingen worden tegenwoordig zelden nog los verkocht. Ze komen meestal in cadeaupapier met daarop woorden als ‘verbinding’, ‘fatsoen’ en ‘maatschappelijke verantwoordelijkheid’.

Schriftelijke vragen als politieke verpakking

De VVD besloot het niet bij een websitebericht te laten. Er kwamen officiële vragen aan het college. Artikel 41-vragen, dus met briefhoofd, formele taal en bestuurlijk gewicht.

Op papier gingen de vragen over mogelijke onrust rond de opvang van statushouders en over de vraag hoe het college daartegen aankeek. Tussendoor verscheen echter steeds weer dezelfde bijrolspeler: het FvD-raadslid.

Subtiel was anders.

Het deed een beetje denken aan een detective waarin na elke scène toevallig weer dezelfde verdachte opduikt. Op enig moment krijg je het vermoeden dat de schrijver al weet wie de dader moet zijn.

De suggestie werd gewekt dat diens reactie zou bijdragen aan onrust en polarisatie. Daardoor ontstond de merkwaardige situatie dat vragen die officieel over maatschappelijke onrust gingen, vooral leken te draaien om het politieke gedrag van één oppositieraadslid.

Je kunt je dan afvragen wat hier precies het doel was:

• zorgen uiten over mogelijke maatschappelijke onrust;

• of een politieke tegenstander publiekelijk corrigeren via een omweg langs het college.

De verpakking wees op het eerste.

De inhoud rook opvallend sterk naar het tweede.

Het college doet wat colleges het beste doen: diplomatiek verdwijnen

Het college reageerde zoals colleges dat meestal doen wanneer politieke partijen elkaar de maat proberen te nemen: uiterst voorzichtig.

Tenminste, bijna. Want op één punt was het college opmerkelijk helder. Het liet weten de mening van de VVD te delen dat de uitlating van het FvD-raadslid kon bijdragen aan onrust en polarisatie.

Dat was ongeveer het enige moment waarop het college niet op wollen sokken door het dossier liep.

Voor het overige bleef het college netjes uit de buurt van het politieke steekspel. Geen escalatie, geen extra olie op het vuur, geen uitgebreide veroordelingen.

Dat is waarschijnlijk verstandig. Want zodra een college actief mee gaat doen aan politieke beoordelingen van individuele raadsleden, begeeft het zich op glad ijs.

Voor je het weet verandert het gemeentehuis van bestuurscentrum in een permanente aflevering van De Slimste Moreel Verantwoorde Mens.

Eerst praten of meteen naar het publieke podium?

Wat hier vooral wringt, is de gekozen route. Wie werkelijk bezorgd is over het gedrag van een collega-raadslid, heeft allerlei mogelijkheden. Je kunt bellen. Je kunt een gesprek voeren. Je kunt in de raad het debat aangaan. Je kunt vragen wat iemand precies bedoelde. Dat zijn misschien niet de spannendste opties, maar wel de meest volwassen.

Ook de gebruikelijke integriteitslijn, zoals de VNG die beschrijft, begint met elkaar aanspreken voordat je opschaalt. Hier gebeurde het omgekeerde.

De politieke schijnwerpers gingen direct aan. Daardoor ontstond de indruk dat het minder ging om begrip krijgen en meer om een publieke terechtwijzing organiseren.

Waarom eerst de telefoon pakken als je ook meteen een podium kunt bouwen?

Selectieve verontwaardiging als politiek gereedschap

En dan blijft één vraag hangen: waarom precies deze aanpak?

Als het doel werkelijk maatschappelijke rust was, dan had een gesprek waarschijnlijk meer opgeleverd dan een publieke veroordeling verpakt als collegevraag.

Maar als het doel was om afstand te creëren tussen “de verantwoordelijke partijen” en “de verkeerde partij”, dan wordt deze route ineens een stuk begrijpelijker. Dat maakt de kwestie ongemakkelijk.

Niet omdat politici het altijd met elkaar eens moeten zijn. Integendeel.

Maar omdat democratie slecht functioneert wanneer politici elkaar voortdurend beoordelen op morele zuiverheid in plaats van op hun argumenten. Dan verschuift de aandacht van de inhoud naar de persoon.

Van het debat naar het oordeel.

Van argumenten naar etiketten.

Van politiek naar een soort permanente talentenjacht voor deugdzaamheid.

En precies daar ontstaat vaak de polarisatie waar iedereen zegt zo bezorgd over te zijn.

Tot slot: wie deelt hier eigenlijk rapportcijfers uit?

De ironie van het hele verhaal is dat vrijwel iedereen in deze discussie zegt op te komen voor rust, respect en fatsoen. Maar ondertussen zijn we een heel eind verwijderd geraakt van de oorspronkelijke kwestie.

Het ging over opvangbeleid.

Het ging over maatschappelijke gevolgen. Het ging over keuzes van het gemeentebestuur. Toch eindigde het debat vooral bij de vraag welk raadslid zich wel of niet netjes had gedragen.

Dat is zelden een goed teken. Raadsleden zijn gekozen om beleid te controleren, voorstellen te beoordelen en het bestuur scherp te houden. Niet om als politieke schoolmeesters rapportcijfers uit te delen aan collega’s.

Want zodra raadsleden elkaar vooral gaan beoordelen als personen, verdwijnt de inhoud uit beeld. Dan wordt de gemeenteraad geen arena van argumenten meer, maar een juryprogramma waarin politici elkaar punten geven voor correct gedrag.

En dat is misschien wel de meest betrouwbare manier om precies de onrust te creëren waar iedereen zegt tegen te zijn.

Disclaimer: Dit is mijn persoonlijke mening. Voel je vrij om het er hartgrondig mee oneens te zijn, erom te lachen of het compleet te negeren. Dat recht hebben we gelukkig allemaal nog.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven